Column

Laura Mijnders| Dankbaar

7 oktober 2015

Hoezeer ik ook gehecht ben geraakt aan het doorbrengen van mijn zaterdagen in volledige isolatie, vandaag komt mijn schoonmoeder langs. Na haar bezoek zal ik nog gauw een boterham naar binnen kunnen proppen voordat ik richting Groningen ga, waar ik vanmiddag een concert in de Martinikerk zal bijwonen.

Lichtelijk geamuseerd blijf ik nog even veilig in de tuin staan, een laatste moment voor mijzelf koesterend. Wanneer ik door de achterdeur terug naar binnen ga, kust mijn schoonmoeder mij enthousiast op mijn wangen. Achter haar, in de schaduw, staat een man van ongeveer haar leeftijd. Hij stelt zich voor als Jan.
,,Aha, Jan. Welkom”, mompel ik.

Mijn schoonmoeder kijkt mij betekenisvol aan. Mijn wederhelft is inmiddels druk bezig met het regelen van de koffie, terwijl ik de ondervraging in gang zet. Geen tijd te verliezen.

,,Jan, wat doe je eigenlijk voor werk?”, vraag ik.
,,Ik werk in de bouw”, mompelt hij verlegen.
,,En heb je ook kinderen?”
,,Ja”, zegt hij. ,,Ik ben zelfs al grootvader”.

Mijn wederhelft komt inmiddels terug gesneld met een dienblad vol koffie. Hij kijkt mij waarschuwend aan. Als ze maar gelukkig is, had hij mij op het hart gedrukt. Ik wil echter meer dan geluk, ik wil dat ze veilig is, had ik mij verweerd.
Ik negeer zijn blik.

,,Vond je het spannend om ons te ontmoeten?”, vraag ik uit het niets.
,,Neuh, niet echt”, zegt hij.
Jan is van de korte, krachtige antwoorden, merk ik. Een echte Groninger. Ik vind korte antwoorden moeilijk, ik krijg geen hoogte van mensen die korte antwoorden geven.

Na de koffie lijkt Jan wat spraakzamer. Hij maakt zo nu en dan een grapje en geeft mijn schoenmoeder speels, kneepjes in haar schouder. Hij vertelt over hoe ze elkaar ontmoet hebben, of eigenlijk, mijn schoonmoeder vertelt en Jan krijgt af en toe de kans om aan te vullen. Ik laat de ondervraging achterwege en observeer ze een tijdje. Hij vindt haar echt leuk. En zij hem. Gerustgesteld sla ik een tweede bak koffie achterover.

Wanneer we de Martinikerk binnenkomen, naar mijn idee ruim bijtijds, zit de kerk al bijna vol. Met moeite vinden we een plekje, deels achter een enorme zuil, waardoor we slechts een kwart van het podium kunnen zien. Ik smoor een lach in mijn mouw.

Na vijf minuten komt er een jonge vrouw onze kant uitgelopen. ,,Willen jullie een goede plek?”, vraagt ze. Voorzichtig leidt ze ons naar een van de voorste rijen. ,,Twee mensen van de ING Bank zijn niet komen opdagen”, fluistert ze. ,,We willen de voorste plekken graag goed opgevuld hebben, aangezien het concert wordt gefilmd”.

Ik heb nog nooit enige sympathie voor banken gevoeld, maar nu ben ik enorm blij met de ING. De voorste rijen zijn prijzig. En hier zitten wij, een student en een uitkeringsgerechtigde. Ik sla mijn ogen op en mompel zachtjes dankjewel, tegen wie dan ook.

You Might Also Like

No Comments

Leave a Reply