Column

Dakrand

5 mei 2019

,,Hier kunnen we het dak op. Misschien is het dan mooier wanneer we de foto daar nemen.’’ Ik zie hoe zijn lippen de woorden vormen. Een jongen met een camera om zijn nek wijst vervolgens naar de rand van het dak. Een voor een stappen de mensen uit het groepje via de rand van het balkon het dak op. Ik houd mijn hart vast. Adem telkens diep uit wanneer ze over het randje stappen.
En ik ben niet de enige. Een van de meiden uit het groepje lijkt het moeilijk te hebben. Zodra ze op het balkon staat, lijkt haar lichaam te verstijven. Haar voeten weigeren om nog een stap verder te zetten. Ze balt haar handen tot vuisten. De wind doet haar colbertje opwaaien, haar haren wapperen woest om haar gezicht. Nu valt mij pas op dat alle leden van het groepje hetzelfde dragen. Vast één of andere studentenaangelegenheid. De dingen die we voor elkaar doen…..Ik neem een slok van mijn koffie, zet het kopje net iets te hard op de tafel. Ik vraag mij af of andere mensen in de La Place dit zien gebeuren. Of ze zien wat ik zien. De meeste mensen lijken echter druk met elkaar in gesprek. Ik zie uitgeputte moeders die servetten om de smoeltjes van hun kroost halen, oma’s met achterban en vaders met een afwezige blik in hun ogen. Het stikt er van de gezinnen. Ze voeren elkaar caké en drinken warme chocolademelk. Leve de meivakantie.

Ik blader wat door een studieboek, kijk af en toe weer naar het balkon. Mijn gedachten dwalen af. Ik denk aan die man die een touw tussen twee bergen spande en er zonder gezekerd te zijn, overheen liep. Aan dat nieuwsbericht over een meisje in Groningen dat uit het raam van haar kamer viel. Ik begin het gebeuren aan de overkant al weer te vergeten wanneer er ineens iets verrassend gebeurd. Het meisje dat zojuist nog stokstijf op het balkon stond, stapt met behulp van een groepsgenoot op de rieten stoel die toegang naar het dak verschaft. Ze doet het. Het groepje op het dak juicht. Een van de jongens pakt haar hand, leidt haar voorzichtig naar het midden van het dak toe. Maar dan…….,,Pok, pok!’’ De haren in mijn nek staan recht overeind.

Naast mij staat een lelijk kind met grote ogen. Uit zijn neus bungelt een akelig grote snottebel. Weer slaat hij zijn vlakke hand tegen het raam aan ,,Kijk! Daar.’’
,,Godverdomme, ik schrok me dood!’’
,,Wat zegt u nu?’’ Ineens staat er een vrouw achter het kind.
,,Zoiets zeg je toch niet tegen een kind?’’
,,Ik was alleen maar, ik, ik….’’, stamel ik.
Maar de vrouw heeft zich alweer omgedraaid en trekt het kind aan zijn armpje het restaurant uit. ,,Kom Anthony. Luister maar niet naar die nare mevrouw.’’ Terwijl moeder en kind verder lopen, kijk ik weer naar buiten. In de verte hoor ik het kind ,,Godvomme’’, ,,Goodvedome’’ stamelen.

You Might Also Like

No Comments

Leave a Reply