Ze doet enthousiast de deur open. Ze is zeker de helft kleiner dan ik. Haar haren zijn netjes gekamd en ze draagt hippe sportschoenen. “Kom binnen!”, zegt ze vrolijk.
Ik klem het doosje eieren stevig onder mijn arm. Snuif haar parfum op. Binnen is het aangenaam koel, ondanks de warmte buiten. Als we de woonkamer binnenstappen is het alsof ik de helft van mijn inrichting weerspiegeld zie: overal foto’s en van die kleine frutseldingen. Dingen die je niet echt nodig hebt, maar toch koopt, gewoon omdat je voelt dat er een verhaal aan kleeft. Dat is mijn oma. Dat ben ik.
Een paar maanden geleden is oma op tachtigjarige leeftijd van Duitsland naar Norg verhuisd. Ze heeft twintig jaar in Duitsland gewoond en was zestig jaar samen met mijn opa. Toen mijn opa een paar maanden geleden overleed, ging het niet meer in dat huis. Als een muis sloop ze er rond. Het was er ineens te groot, te leeg. Per toeval kwam er een flat in de Garve vrij. In mijn dorp. Mijn moeder heeft er flink wat telefoontjes voor moeten plegen, maar uiteindelijk kon oma er terecht. Nu ze er een paar maanden woont, is het alsof ik mijn oma opnieuw leer kennen. Ze is vrolijk, heeft elke dag wat te doen en als je met haar een afspraak wilt maken, moet ze eerst in haar agenda kijken.
Hoewel ze zich in Duitsland redelijk thuis voelde, was het vooral voor mijn opa en haar zoon dat ze erheen verhuisde. De taal werd nooit helemaal eigen. Ik heb het er regelmatig met mijn vriend over – hij is Spaans. Sommige emoties en uitspraken kun je alleen in je moedertaal uitdrukken: in je nieuwe taal is er geen vervanging voor.
Meer dan de helft van mijn leven had ik geen contact met oma. Niet omdat ik niet wilde, maar omdat de dingen zo liepen. In sommige families worden dingen niet begrepen, niet uitgesproken. Ze groeien uit tot een muur die met geen sloophamer neer te halen is. Als iemand mij als puber had gezegd dat mensen veranderen, had ik het nooit geloofd. Maar we zijn allemaal veranderd. De muur is verbrokkeld. Niemand ziet hem nog, hij is niet belangrijk.
Nu draagt mijn oma haar agenda altijd bij zich. Ze heeft vriendinnen om zich heen, gaat elke vrijdag rummikubben en op zondag rijdt ze met mensen mee naar de kerk. Ook is ze lid geworden van de scootmobielclub. Soms komt ze eitjes bij me halen en moet dan vreselijk lachen om de kippen die tam zijn en zo de keuken inlopen.
Toen mijn vriend en ik laatst een avondwandeling maakten op de Es met onze drie keffertjes, stak er een klein muisje over op het fietspad. Midden op het pad bleef hij roerloos zitten. Ik weet niet of de muis me nodig had, maar ik besloot van wel. Ik nam hem in mijn hand en zette hem voorzichtig over naar de akkers met maïs. Ineens moest ik aan mijn oma denken.
Ze is alles behalve deze muis. Ik hoef haar niet over te zetten, ze is niet afhankelijk, niet hulpeloos. Ze volgt haar eigen route, beleeft haar eigen verhalen – die ik dan weer mag aanhoren.
Bij de deur geef ik haar een knuffel. “Tot snel”, zegt ze. Op zulke momenten denk ik: wat een ongelooflijke mazzel. Die veerkrachtigheid stroomt ook door mijn aderen.






