Skip to main content

“Je zult ermee moeten leren leven”, zegt hij. Ik kijk in zijn helderbruine ogen, vraag me af hoe oud hij precies is. Zou hij ongeveer van mijn leeftijd zijn? 

Ik knik. “We hebben andere oorzaken uitgesloten. Dit zijn klassieke symptomen die bij deze nierziekte horen”, zegt de dokter. Hij kijkt me aan, haast verontschuldigend. “Ik weet er nog niet zoveel van. Ik weet pas net dat ik het heb”, zeg ik.
“Het is ook een zeldzame ziekte. Het enige wat je kunt doen is pijnstillers slikken. En accepteren dat er betere en slechtere tijden zullen zijn, met meer of minder pijn.” 

Ik wil tegen iemand schreeuwen, heel hard schreeuwen. Ik ben dertig en leef als een oude vrouw, maar het is niemands schuld, dat weten we allebei. In plaats daarvan sta ik rustig op, zeg hem gedag en loop de praktijk uit. 

Eenmaal thuis ruim ik de vaatwasser uit, vouw ik een was op, stofzuig ik de benedenverdieping en ga verder met mijn werk. Mijn vriend wilde eigenlijk alle huishoudelijke klussen na zijn werk doen, maar ik vertik het om hem alles te laten doen. Ik wil het zelf kunnen, ik moet het zelf kunnen. Wanneer ik weer achter de computer zit, stuurt een vriendin me via Instagram een filmpje van een vrouw die zelf een wasmachine de trap opdraagt. “Wij”, schrijft ze er alleen maar bij.

Zij zit op dit moment midden in een verhuizing en doet het allerliefste ook alles zelf. De vorige keer dat ze ging verhuizen hebben we haar nauwelijks kunnen helpen — ze had het meeste zelf al geregeld. Ze is vaak boos op me. Omdat ik maar blijf doorploeteren, ondanks alle ziekte van het afgelopen jaar. Ze is er zelf ook zo een. Beiden vastgeroest in die kleuterfase waarin we alles zelf willen doen. 

Nu oefent mijn vriendin voor het eerst met om hulp vragen. Het druist tegen alles in wat ze heeft geleerd. Tegen alles in wat ik heb geleerd. Ik zie nog hoe mijn moeder met een hernia over het gazon kroop — want ze moest en zou absoluut zelf de randjes van het gras bijknippen. Of mijn vader, die met een longontsteking stug vijf maanden doorfietst, want het valt wel mee. Hoe ontleer je in godsnaam zoiets?

Als mijn vriend thuiskomt van zijn werk kijkt hij van het lege aanrecht naar mij. “Ik had toch gezegd dat…”, zegt hij.
“Ja, nou ja. Ik dacht, ik heb een goed moment, ik doe het wel even”, zeg ik.
“Ik wil niet boos op je worden, maar je moet me je laten helpen. Je hebt nu zeker weer meer pijn dan eerst?”
“Nah, valt mee”, zeg ik vlug. 

Het ding is, als iemand je kent — écht kent — weet die wanneer je dingen bewust niet zegt. Verontwaardigd loopt hij weg. Als ik er later die avond met mijn wasmachinevriendin over app, zegt ze: ‘Ik snap dat hij boos is. Je moet het zo zien. Als een ander jou helpt, geeft dat hem of haar ook een goed gevoel; ze betekenen iets voor je. En dat mooie gevoel ontneem je hem nu. Verdomd. Ze heeft gelijk. Alwéér. Had ik al gezegd hoe irritant ik het vind als mensen altijd gelijk hebben?

Met een zwaar gevoel in mijn maag sjok ik de trap op. “Lieverd, kun je me zo even helpen met de kippen van de tuin naar het hok te brengen?”, vraag ik. Meteen verschijnt er een glimlach van oor tot oor. “Ga jij vast naar bed, ik regel het.”

Voordat ik in slaap val, denk ik weer aan die wasmachine. Het is tijd om de dingen niet langer alleen te willen tillen.