Ik zit gehurkt voor een boomstam, mijn telefoon in mijn hand. Ik probeer tijdens mijn boswandeling de hele tijd om twee dames voor te blijven, die nu luid kletsend achter me langs lopen. Het zijn twee oudere dames met kort geknipt haar, een spijkerbroek die net iets te hoog opgetrokken is en een wandelrugzak, al heb je zo’n enorm exemplaar voor zeven kilometer niet meteen nodig, vind ik.
“Het paddenstoelenseizoen is begonnen”, zegt de eerste dame.
“Ik heb nog geen paddenstoel gezien”, zegt de ander.
“Nee, ik ook niet”, zegt de eerste.
Ik kan haast niet geloven dat ze niets hebben gezien. Het pad achter me stikt van de aardappelbovisten en tonderzwammen. Sterker nog: ik zit met een ontblote bilnaad een minuscuul exemplaar op een boomstronk te fotograferen. Even twijfel ik wel of ik besta, of ze me misschien niet hebben gezien. Of misschien denken ze dat alle paddenstoelen rood met witte stippen zijn.
Soms kunnen mensen kijken zonder te kijken. Dat blijft me verbazen. Ik had er ooit een gesprek over met een vrouw in de trein van Zuidbroek naar Groningen. Haar ogen stonden vermoeid, alsof alles haar verveelde. Ze werkte in een mosterdfabriek, vertelde ze. Haar uniform had ze al aan; op haar borst een naambordje met daarop Annie.
“Jij bent de enige in deze trein die niet op je telefoon kijkt”, had ze gezegd. “Waar kijk je eigenlijk naar?”
“Naar buiten”, zei ik.
“Ik neem al vijftien jaar deze trein, maar elke dag is hetzelfde”, had ze gezegd.
“Dat ben ik niet met u eens. Ik neem deze trein al vijf jaar, maar elke dag is anders”, zei ik.
“Alleen het weer verandert”, had ze brommend gezegd.
Daarmee was het gesprek ook klaar, want Annie moest uitstappen.
“Tot een volgende keer”, zei ik. Ze draaide zich kort om. Ze glimlachte niet.
Ik weet nog dat ik dacht dat ik niet begreep hoe ze elke dag hetzelfde kon zien. Ik had die vijf jaar vanuit het raam elke dag iets anders gezien. Zoals die keer dat ik een jongen met een plastic krokodil op zijn stuur zag fietsen.
Of het natuurgebied bij Kropswolde. Soms zag ik er net voor de zon onder ging reeën of vroeg in de ochtend een paar torenvalken. Elke dag kon je er een kudde Schotse hooglanders zien, soms wat dichter bij het spoor, soms wat verder weg — en als je geluk had, met kalfjes. Soms lag er sneeuw en soms kon je vlak voor de avond viel witte wieven over het natuurgebied zien zweven.
Het is alsof ik door dit kleine voorval met de wandelende dames terug geteleporteerd wordt naar dat gesprek en het helemaal opnieuw beleef. Hoe konden deze dames niet zien wat ik zag? De rest van de wandeling blijf ik regelmatig foto’s maken. Af en toe kom ik iemand tegen. Netjes mompel ik ‘hi’ tegen hen. Toen mijn man in Nederland kwam wonen heeft hij zich lang verbaasd over het feit dat Nederlanders elkaar altijd groeten tijdens het wandelen. Toen we een paar jaar geleden in zijn geboorteland waren en er een lange wandeling maakten, moest ik de neiging om ‘hi’ tegen de weinige voorbijgangers te zeggen stevig onderdrukken.
Na zo’n tien kilometer door Het Noordsche Veld te hebben gestruind, vind ik het wel genoeg geweest. Bij het begin en tevens eindpunt van de wandelroutes kun je een kop koffie of thee krijgen. Op het terras valt me op dat ik de enige ben die alleen zit — en de enige onder de vijftig. Het stikt er van de wespen. Ik schenk mijn flesje appelsap snel leeg in het glas ernaast en leg er een viltje op. Achter me klaagt een vrouw over de wespen; haar man bromt geërgerd: “Laat ze toch.”
Ik zie hoe een eerste wesp in het lege flesje appelsap duikt en er niet meer uitkomt. Na een minuut komt er een vriend bij hem kijken. Hij zit een tijdje op de rand van het flesje tot ook hij erin duikt en er niet meer uitkomt. Ik zie hoe ze op de bodem spartelen en kijk ernaar. Misschien had een ander zich schuldig gevoeld. Ook wespen proberen alleen maar te overleven. Toch pak ik mijn tas en reken af. Gelukkig verdrinken ze in ieder geval niet alleen. Ze hebben elkaar. Of waren ze vijanden die toevallig in hetzelfde flesje belandden?
Het hangt ervan af hoe je ernaar kijkt.






