Ze belt nooit. Zodra ik haar naam op mijn scherm zie verschijnen, weet ik dat het niet goed is.
“Ik moet haar laten inslapen,” zegt mijn vriendin snikkend. Ze barst in huilen uit.
Ik ben op mijn werk snel een aparte ruimte ingelopen en trek de glazen deur achter me dicht. Tussen de lavendelzakjes in opgestapelde dozen en tientallen flesjes met badzout – een nieuw project van mijn bazen – sta ik met mijn mobiel stevig in mijn hand geklemd. Eerder die ochtend had mijn vriendin me via de app al verteld dat het niet zo goed ging met haar zeventienjarige kat.
“Kan ik iets voor je doen?” vraag ik.
“Ik weet het niet zo goed. Ik zit nu in een aparte kamer met haar, waar we afscheid van elkaar kunnen nemen. Ze heeft gebitsproblemen en haar oogleden en tandvlees zijn bleek. Waarschijnlijk beginnen haar organen het te begeven,” zegt ze.
“Jeetje,” weet ik alleen maar uit te brengen.
“Ze zouden nog een bloedtest en iets aan het gebit kunnen doen, maar dat levert maar een paar maanden op en ze zou er veel stress van hebben. Ze is gewoon op. Dus ik heb samen met de dierenarts besloten haar in te laten slapen. Ik wil niet dat ze lijdt.”
Ik denk aan mijn vriendin, alleen in die ruimte, niemand om haar op dit moeilijke moment te troosten. Het liefst wil ik meteen in de auto stappen en die kant uitrijden. Ik weet hoe belangrijk haar kat, haar maatje, voor haar is. Ze hebben in die zeventien jaar samen zoveel meegemaakt.
“Wat een moeilijke, maar dappere beslissing. Zal ik anders kijken of ik vanmiddag naar je toe kan komen? Ik kan overleggen of ik wat eerder weg kan,” zeg ik.
Het is even stil voordat ze ja zegt. Ik weet dat ze het moeilijk vindt om welke vorm van hulp dan ook te accepteren, dus ik ben verrast, maar ook blij. Na het gesprek voel ik hoe haar verdriet zich in mijn borst nestelt. Ik probeer te bedenken hoe ik uitleg dat ik vandaag eerder weg moet, haal diep adem voor ik de ruimte verlaat.
Tegen mijn baas zeg ik dat het niet zo goed gaat met een vriendin. Het is geen probleem als ik eerder wegga, zolang ik mijn uren maar inhaal, zegt hij. Opgelucht haal ik adem. Tegelijkertijd haat ik het feit dat ik bang ben voor het eventuele oordeel als ik vertel dat het om een dier gaat. Mensen begrijpen soms meer dan je denkt. Toch ben ik bang om over zoiets eerlijk te zijn.
Toen ik jaren geleden mijn eerste kat moest laten inslapen, zei mijn toenmalige baas: “Het is maar een kat, dan neem je toch een nieuwe? Je moet niet zo verdrietig zijn.” Sindsdien zeg ik niets meer. Ik had mijn verdriet ook onmogelijk kunnen verdedigen. Zij konden niet weten dat de kat voor mij als familie voelde. Ze was de zus die ik nodig had als ik me verschrikkelijk eenzaam voelde of liefdesverdriet had, degene die naast me kwam liggen als ik ziek was en degene die in een onveilige thuissituatie altijd op me wachtte. Zo is het ook voor mijn vriendin en haar kat.
Totdat ik weg kan, kan ik me maar moeilijk concentreren en ruik ik ineens overal lavendel. Ik lunch met mijn collega’s, maar heb geen trek. Ik oefen wat ik wil zeggen tegen mijn vriendin, maar eigenlijk weet ik dat ik niets kan zeggen wat het gevoel beter of anders maakt. Wanneer ik eindelijk de auto instap, ben ik zo in beslag genomen dat ik de verkeerde afslag neem. Zodra ik heb aangebeld en haar voordeur openzwaait, is het goed. We omhelzen elkaar.
“Ik heb nog nooit zo’n hartenpijn gevoeld,” zegt ze.
“Ze was je familie. Jullie hebben ook zoveel meegemaakt samen,” zeg ik.
Ze denkt na, rekent terug; ik zie de jaren achter haar ogen voorbijflitsen.
“Ja, dat is zo. Ik heb vandaag meer gehuild dan op de begrafenis van de meeste familieleden,” zegt ze snikkend.
“De meeste dieren zijn ook veel leuker dan mensen”, zeg ik lachend.
Ik hoef niets te doen, het gaat vanzelf. We lachen, drinken thee, dragen haar verdriet de dag uit. Het is oké.







