Ik was een jaar of zeven toen ik voor het eerst een gewond vogeltje mee naar huis bracht. De herinnering staat in mijn geheugen gegrift. Mijn beste vriendin Gerrie was bij me. We hadden het vogeltje in een doos gestopt die we hadden gevonden in de schuur bij haar thuis. Haar ouders waren niet aanwezig, dus waren we gedwongen om naar mijn huis toe te lopen.
“Mam, kijk, we moeten hem helpen, zijn vleugel doet het niet.” Toen ze de doos opende, lag het vogeltje stil en roerloos op de bodem. Mijn moeder keek ons aan en schudde haar hoofd. Ik heb die hele avond gehuild.
Door de jaren heen bracht ik gewonde egels mee naar huis die het gelukkig wél overleefden en die ik later weer in het bos heb uitgezet. Ook vond ik eens een babymuisje dat waarschijnlijk uit de bek van een roofvogel was gevallen. Ik probeerde hem tevergeefs te redden door hem om de paar uur melk te geven. Huisdieren mochten we niet, want ik was te allergisch en astmatisch. Een zorgenkindje. Bovendien is mijn vader opgegroeid op een boerderij, waar dieren meer als praktisch dan als gezelschap worden gezien. Toen ik op mijn achttiende dan ook op mezelf ging wonen, kocht ik nog voordat ik mijn volledige uitzet bij elkaar had, een konijn. Ik bleek er vreselijk allergisch voor, maar met wat allergiepillen redde ik me wel.
Nu ik 34 ben, leef ik eindelijk mijn droom. Mijn man en ik hebben drie honden, drie katten en vier kippen. Toch denk ik telkens terug aan die eerste vogel die ik naar huis bracht, bang om te falen. Dat waarvoor je zorgt, is kwetsbaar. Misschien was mijn moeder daarom altijd zo bezorgd. Als mijn broertje en ik volgens haar te dicht bij de balkonrand stonden, kon ik haar adem horen stokken.
Ik begrijp die angst nu eindelijk. Een van onze honden is al een paar uur ziek. Hij is rustiger dan normaal en wil zijn snack niet hebben. Hij kan pas de volgende dag bij de dierenarts terecht, tenzij het snel slechter wordt. Ik slaap slecht, krijg nauwelijks mijn eten naar binnen. Liever ben ik zelf ziek; een dier heeft geen woorden, kan je niet vertellen wat er mis is. Ik heb tenminste mijn taal.
Bij de dierenarts de volgende dag gedraagt de hond zich uitstekend. Normaal sputtert hij tegen, maar nu laat hij zich gelaten bekloppen en bevoelen. Hij blijkt een anaalklierontsteking te hebben. Ik had al een vermoeden, maar dat het zich zo snel zou ontwikkelen, had ik niet verwacht. De dierenarts geeft ons antibiotica en pijnstilling mee. Tijdens het afrekenen poept de hond op de grond. Ik bied de assistente aan om het op te ruimen, maar ze weigert en zegt dat zij het wel doet. Voor haar is dit gewoon weer een werkdag en is iets wat dagelijks gebeurt.
Thuis geef ik de hond direct zijn medicatie. Ik verstop de pillen in zijn favoriete paté. Hij eet gretig en kruipt daarna dicht tegen me aan. Ik luister naar zijn ademhaling. Ineens moet ik vreselijk huilen. Ik weet dat het stom is, maar toch huil ik. Mijn man troost me ’s avonds door te zeggen dat het echt wel goed komt. Dat het een sterke hond is. Mijn gedachten gaan terug naar die eerste vogel. Eerst zien, dan geloven.
Die nacht kan ik niet slapen. Ik check twee keer of hij oké is. Hij kijkt me verward aan, alsof hij zich afvraagt waarom ik in godsnaam midden in de nacht half bloot in de woonkamer het licht aandoe. Uiteindelijk val ik in een onrustige slaap.
In de ochtend lijkt het wat beter met hem te gaan. Ik vraag me af hoe mensen met kinderen dit doen. Ik weet zeker dat ik een paniekmoeder zou zijn die haar kind verpest. Ik zou steeds kijken of de baby nog ademhaalt, en een tiener die later thuiskomt dan afgesproken, zou me een hartaanval bezorgen.
Na een paar dagen is de hond gelukkig steeds meer zichzelf. Hij is vrolijk en snuffelt rond in de tuin. ‘Zie je wel,’ zegt mijn man. Die nacht check ik tóch nog een keer hoe het met hem gaat.
Hij kijkt me aan alsof hij het begrijpt.







