Skip to main content

Haastig hijs ik me in een jurk die enigszins fatsoenlijk is.
“Ben je klaar in de douche?” vraag ik mijn vriend. Terwijl hij zijn tanden poetst, werk ik vlug mijn make-up bij. Om stipt 09.30 uur zitten we in de auto, op weg naar mijn vader. Een van zijn zussen viert vandaag dat ze 45 jaar getrouwd is met haar man, mijn oom.

Ik weet niet precies waarom ik ‘ja’ zei. Waarom we nu in de auto richting Elburg zitten.
Het is tien jaar geleden dat ik mijn familie van vaderskant zag. Niet vanwege onenigheid of onoverkomelijke verschillen, maar vanwege een familievloek die ook in mij zijn klauwen heeft geslagen.

Net zoals bij mijn opa en oom, woont er een allesverslindend monster in mij. Op goede momenten is het beheerst, beleefd, zelfs charmant.
We dulden elkaars aanwezigheid.
Maar op de minder goede momenten is het onverdraaglijk, groter dan ik.
Het leeft om te verwoesten, me van slaap te beroven, adem te benemen, te verlammen.
Het is pas tevreden als ik een omhulsel ben van mijzelf.

Mijn vader komt uit een groot gezin: drie zussen en twee broers. Waar de rest van mijn familie het leven leidt zoals de maatschappij dat verwacht, worstel ik. Het is de angst voor onbegrip die me overal weghoudt. Mijn neven en nichten hebben kinderen gekregen, brengen vele zondagen door in de kerk. Hoe anders ben ik, die luid vloekt als ze iets laat vallen, die geen voet zet in de kerk, die geen moeder zal worden. Toch zei ik ja tegen dit familiefeest. Een impuls.

Mijn vader is druk met mijn vriend aan het kletsen over auto’s. Ik kijk uit het raam naar het landschap dat ik zo goed ken. Denk aan die ene familievakantie. Aan een familiedag op een oude boot. Wandelen in de Veluwe. Een nicht bezoeken in Den Haag die de verpleegstersopleiding deed en daar op kamers woonde. De beelden buitelen over elkaar heen. Soms twijfel ik over welke herinneringen echt zijn. 

Wanneer we de locatie naderen, voel ik hoe mijn kaken zich aanspannen, hoe mijn vingers zich in elkaar grijpen. We zijn, ondanks ons vroege vertrek, niet de eersten. Ik herken vaag de kinderen van een oom, die ik voor het laatst zag toen ze een jaar of zeven waren. Ooms en tantes, ze zijn ouder geworden, maar nog steeds hetzelfde. Alsof ik ze gisteren nog zag.

Zodra we uitstappen weet ik niet hoe ik me moet gedragen. Wat moet ik zeggen? Wat moet ik doen? Een van mijn tantes loopt op me af en sluit me direct in haar armen. “Jeetje, wat leuk dat jij er ook bent.” Hun kinderen geven me een hand; het is alsof we onszelf voor het eerst aan elkaar voorstellen.

We wachten buiten totdat de familie compleet is. De portieren van de laatst aangekomen auto slaan dicht. De jongste broer van mijn vader stapt uit, met zijn vrouw en een van zijn zoons. Ik denk even zijn oudste zoon te herkennen, maar het blijkt de jongste. Mijn favoriete neefje, op wie ik nog heb gepast, met wie ik tekeningen en muziek heb uitgewisseld. Ik herinner me hem nog in een kinderwagen. “Hij hoopte al dat je zou komen”, zegt mijn tante. 

Eenmaal binnen kiezen we een tafel bij het raam uit. We kijken uit over het water. Mijn vriend zit naast me, en mijn favoriete neefje naast hem. Ik weet eerst niet zo goed hoe ik moet beginnen. Maar voor ik het weet praten we over zijn leven in Utrecht, zijn studie, zijn broers en concerten. We praten de hele middag door. Af en toe schuift een familielid aan om te kletsen, maar we zijn vooral gefocust op elkaar. Tijdens het gebed is het net als vroeger: we houden onze ogen open terwijl de rest ze sluit. We kijken elkaar niet aan, bang om elkaar per ongeluk aan het lachen te maken.

Als hij even naar het toilet is, komt zijn moeder naast me zitten. Ik vraag haar of ze zich de tekeningen nog herinnert die we elkaar stuurden. Poppetjes van ijsstokjes op papier geplakt. “Weet je, onze jongens hebben zich ook altijd buitenbeentjes gevoeld. Je bent niet de enige”, zegt ze. 

Er welt een diep gemis in me op. Waarom hebben we hier nooit over gepraat? Als mijn neef terugkeert, zeg ik dat ik het jammer vind dat we vroeger zo ver uit elkaar woonden. Dat we nog steeds niet dichter bij elkaar wonen. “Ja”, zegt hij. “Maar we hebben nu”, zegt hij. Ergens in zijn ogen denk ik het beest te herkennen. Zou het?

We wisselen nummers uit. Wij, buitenbeentjes. Ik haal opgelucht adem. Het monster slaapt.