De sneeuw komt met dikke vlokken uit de lucht vallen.
“Over een uurtje ziet het er beter uit,” zegt mijn man.
Ik vind sneeuw over het algemeen prima, maar vooral als ik er vanachter de ramen in mijn woonkamer naar kan kijken. Eerder deze week ging ik al een keer lelijk onderuit en werd ik meerdere keren drijfnat door smeltende sneeuw die via de kraag van mijn jas mijn nek in gleed. Mijn man lijkt echter enthousiast.
Na een uur stopt het inderdaad met sneeuwen. De wind is gaan liggen. We trekken handschoenen aan, doen een muts op en een sjaal om. De honden lijken enthousiast. De oudste verdwijnt tot aan zijn kruin in de laag sneeuw voor ons huis; hij is dapperder dan ik.
Verderop in de straat heeft iemand een sneeuwpop gemaakt. Ik probeer me de laatste keer te herinneren dat mijn broer en ik in de sneeuw speelden. Ik herinner me alleen het eindresultaat: de rotjes die we in de ogen van de sneeuwpop stopten en vervolgens afstaken. Het buurjongetje dat zijn vinger verloor tijdens een van die taferelen, het schuldgevoel, de nachtmerries.
Twee gezinnen met kinderen op een slee halen ons in. Hun wangen rood van de opwinding. We wandelen richting het bos achter ons huis, de Es, of het grote rondje, zoals we het noemen. De hondjes beginnen moe te worden; ik zie het aan hoe ze door de sneeuw ploeteren. De vacht van hun buik is modderig en nat, aan hun pootjes kleven hele brokken sneeuw.
Verderop zien we de donkere lucht op ons afkomen.
“Ik vrees dat we het rondje moeten afsnijden,” zeg ik.
Ik maak vlug een paar foto’s van het prachtige uitzicht. Op social media zag ik eerder vandaag veel plaatjes voorbij komen van familie en vrienden die hellingen op de slee trotseerden en sneeuwengelen maakten. Er werd hier in het dorp door een paar kinderen zelfs een iglo gebouwd.
Zodra we halverwege de afgesneden route zijn, begint het hard te waaien. Na een minuut komt er sneeuw bij. We zien bijna geen hand voor ogen, de wind snijdt in onze huid. Mijn ogen tranen, mijn neus loopt onophoudelijk. Mijn man vindt het hilarisch, vergelijkt het met een scène uit een serie die we eerder deze week keken. Fargo. Ik vloek hardop. Ook de hondjes vinden het maar niets. Ik voel mijn mondhoeken naar beneden trekken.
Wat is er toch met me gebeurd? Waar andere volwassenen het kind in zichzelf durven los te laten, hebben de jaren van mij een Scrooge gemaakt. Wanneer is de laatste keer dat ik een sneeuwengel maakte? Een sneeuwbal gooide? Is alles verloren gegaan met die ene vinger?
De lucht is nu helemaal grijs. Na tien minuten stevig doorlopen komen we doorweekt bij onze oprit aan. De sneeuw zit zelfs in mijn wimpers. De honden willen zo snel mogelijk naar binnen.
Ineens voel ik een sneeuwbal tegen mijn achterhoofd. De helft ervan druipt in mijn nek. Als ik mij omdraai, heeft mijn man de slappe lach. Ik kijk hem boos aan. Maar dan voel ik hoe mijn gezicht zich ontspant, hoe mijn mondhoeken omhoog trekken en de ijskoude lucht mijn borst instroomt.
Ik ben acht en heb een missie.
Ik raap een grote hand met sneeuw op en ren met de honden achter mijn man aan. Ik mis. De tweede sneeuwbal zoeft rakelings langs zijn oor.
Na een kort gevecht gaan we toch maar naar binnen. We drogen onszelf en de hondjes met een oude handdoek af, zetten een film aan. Vallen op de bank tegen elkaar aan in een droomloze slaap. Zelfs Scrooge. Als we na een uurtje weer wakker worden, is hij vertrokken.
Ik hoop dat hij wegblijft.








