Skip to main content

“Je wilt toch niet echt met haar naar de dierenarts?” Mijn man kijkt me verbaasd aan.
“Ik heb al een afspraak gemaakt”, zeg ik. “Ik ga hoe dan ook.”

Onze lievelingskip, Consuelo, is al drie dagen ziek. We maken ons allebei zorgen. Hoewel mijn man met een heel andere kijk op dieren opgroeide, zie ik ook hem steeds richting het hok lopen. Dan bukt hij om naar haar te kijken of probeert haar wat water of eten te geven.

Mijn man groeide op in een klein dorpje in Spanje, waar dieren vooral als voedsel werden gezien. Als kind zag hij hoe zijn vader en ooms varkenskarkassen aan het plafond hingen en leerde hij kippen plukken. Toch ving het gezin ook altijd zwerfhonden en verdwaalde schildpadden op. Er zijn foto’s van hem als klein jongetje, spelend tussen honden die groter zijn dan hijzelf.

Hoe anders groeide ik op. Al jong werd ik vegetariër en het geld dat ik verdiende met klusjes zoals grasmaaien doneerde ik aan Stichting DierenLot. Lang smeekte ik om huisdieren, maar vanwege astma en allergieën vonden mijn ouders dat geen goed idee. Pas na de scheiding ging mijn moeder overstag.

Ondanks de verbaasde opmerking van mijn man gaat hij wel mee. “Ik kan dit niet aan mijn vader vertellen”, zegt hij. “Die lacht me uit.”

Ik begrijp het. Onze vaders groeiden allebei op op een boerderij en komen uit een andere generatie.

We bereiden een krat met hooi en haar lievelingssnack voor. Wanneer we haar voorzichtig in de krat tillen, ademt ze zwaar. Als we haar aaien, doet ze tevreden haar ogen dicht.

Mijn man rijdt ons naar de dierenarts. In de wachtkamer zit een vrouw met een kat in een mandje. Ze kijkt even op als we met onze kip binnenkomen en werpt nieuwsgierig een blik in de krat. De kat miauwt klagend.

Even later zijn wij aan de beurt. We vertellen zo goed als het gaat wat we zien. “Ze ademt zwaar, wil niet meer eten of drinken, legt geen eieren meer en kan niet goed staan”, zeg ik. De dierenarts, een man van over de twee meter met grote handen, bekijkt haar zorgvuldig.

“Haar ogen staan helder, maar haar kam is wat grauw.” Hij luistert naar haar longen. “Dat klinkt niet zo goed. Ik vermoed dat ze longontsteking heeft.”
“Daar waren wij ook al bang voor”, zeg ik. “Ze lijkt pijn te hebben. En we willen niet dat ze lijdt.” Mijn onderlip begint te trillen en ik vecht tegen de tranen.

De dierenarts pakt haar voorzichtig uit de krat en zet haar op de grond. “Ik twijfel nog een beetje, omdat haar ogen zo helder zijn. Ik wil even zien of ze voldoende kracht heeft om te staan.”

Consuelo blijft stil op de grond zitten. Ze probeert nog te staan, maar zakt dan door haar poten. De dierenarts kijkt me aan. Ik weet al wat hij gaat zeggen.

Met alle voorzichtigheid van de wereld zet hij haar terug in de krat. “Ze wil leven, maar ze kan niet meer”, zegt hij. “Haar longen zitten vol en ze is te zwak.” We knikken. Mijn man knijpt in mijn hand.

De dierenarts haalt een grote spuit uit een van de laatjes. “Ik moet je waarschuwen: een kip is een van de moeilijkste dieren om in te laten slapen.” Ik aai Consuelo over haar kop en huil als een klein kind. Zelfs de dierenarts en mijn man hebben vochtige ogen.

Hij draait haar op haar zij en zet de spuit in haar borst, ter hoogte van haar hart. Het is een van de naarste dingen die ik ooit heb gezien, maar ik dwing mezelf om te kijken. Na de injectie volgen stuiptrekkingen, totdat ze stil blijft liggen. Na een paar minuten pakt de dierenarts zijn stethoscoop. “Ze is overleden,” zegt hij, met ogen die me doen denken aan die van een labrador.

Wanneer hij mijn hand schudt en veel sterkte wenst, begin ik nog harder te huilen. In de wachtkamer zitten inmiddels meer mensen die opkijken. Het kan me niet schelen. Ik klem de krat steviger tegen me aan.

Thuis vraagt mijn man waar we haar zullen begraven. Terwijl hij graaft, laat ik de andere kippen afscheid nemen. De grootste, Rosita, springt in de krat en gaat naast haar staan. Ze onderzoekt haar gezicht. Terwijl mijn man graaft, wijkt ze niet van haar zijde.

Een week lang loop ik met een steen in mijn maag. Mijn man loopt regelmatig naar het graf en staat er dan een tijdje. Ook de kippen rouwen: ze zijn direct gestopt met het leggen van eieren. Die middag valt er een handgeschreven kaart in de bus.
Veel sterkte gewenst met het verlies van Consuelo’, staat erop.

Ik stel me voor hoe hij de moeite nam om aan zijn bureau te gaan zitten en met die grote berenhanden een kaartje te schrijven. Ik huil, maar voel me voor het eerst in dagen een beetje beter.