Skip to main content

Ik lig op bed en kijk naar de groeven in het plafond. Hij is er weer. Maandenlang ging het goed. Ik begon opnieuw met padel, ik schreef veel en ik liep. Kilometers en kilometers, met en zonder gezelschap. Maar anderhalve week geleden merkte ik de eerste signalen weer op. 

Ik probeer het uit alle macht voor te blijven, maar het wordt elke dag een beetje moeilijker om uit bed te komen. Ik heb geen trek meer en wil behalve werken, alleen maar in bed liggen of op de bank zitten. Hoewel ik het vermogen om veel en intens te voelen ongelooflijk vaak heb vervloekt, ben ik er door de jaren heen achter gekomen dat niets voelen nog erger is. Die stilte is verpletterend.

Ik probeer uit alle macht vast te houden aan de dagelijkse structuur en mijn afspraken. Om 13.00 uur moet ik een vriendin van het station in Assen ophalen. Het is 11.00 uur en ik lig nog in bed. 

Onze familie is er helaas mee behept. Ik schreef er al eens over. Het sloeg sommigen van ons over. Door de jaren heen heb ik ermee om leren gaan. Hoewel ik weet dat er altijd een moment is waarop we elkaar weer treffen, verrast het me toch altijd weer. We ontmoeten elkaar steeds in een andere vorm, op een ander moment. Vaak in de herfst of winter. De laatste keer dat we elkaar troffen in de lente is minstens tien jaar geleden.

Mijn psycholoog zei ooit dat je depressie als een soort alter ego kan zien. Dat je ermee kunt praten. Ik vroeg haar hoe je kunt praten met iemand waarmee niet te redeneren valt. Ze had het over acceptatie. De laatste jaren probeer ik steeds vaker met deze schaduwzijde van mijzelf te praten. Ik probeer redenen tot optimisme op te sommen, maar merk dat dit niet zo goed werkt. Als ik het probeer, barst hij vaak in woede uit. Boos op zichzelf en dat hij er weer is. Boos omdat we toch alles hebben: een huis, een appelboom en veel beestjes. Leuk werk, lieve vrienden en collega’s. Hij vindt zijn aanwezigheid niet gerechtvaardigd. Hij heeft geen bestaansrecht en hoort er niet te zijn. 

Soms is de beste verdediging een aanval. Dus sleep ik me om 11.30 richting de douche. Ik scrub mijn huid totdat deze rood ziet, poets mijn tanden, trek een leuk jurkje aan. Voor de spiegel oefen ik mijn glimlach. Ik verzamel mijn spullen, ruim treuzelend de vaatwasser uit en geef de hondjes een knuffel voor ik samen met hem de auto instap. Onderweg probeer ik hem op de tulpenvelden te wijzen, een hondje dat net als de eigenaar op een worstje lijkt, een kind in een roze overall. Hij lacht niet.

Ik kom, tot mijn verbazing en die van hem, op tijd op het station aan. Ik stuur mijn vriendin een appje met een foto van waar ik sta. Als ze aankomt, voel ik heel even iets in me verspringen. Hij gaat op de achterbank zitten, terwijl zij voorin plaatsneemt. Als we wegrijden, hoor ik hem mopperen. Hij heeft geen zin. Of we niet om kunnen keren. Terug naar bed. Documentaires kijken. Dat het een zinloze onderneming is. Dat het niets oplevert. Dat hij hiermee niet verdwijnt, als ik dat soms denk. Ik schud mijn hoofd. 

Ik had bedacht om naar Bakkeveen te gaan. “Lijkt je dat nog steeds leuk?”, vraag ik mijn vriendin. Ze knikt. “Goed als ik de toeristische route neem? Ik vind de andere wegen wat saai.”
“Ja, ik vind alles goed, ik zit gewoon lekker naast je”, zegt ze.

We rijden langs boerderijen. De meeste bomen staan in blad, sommige in bloesem. Uit de radio klinkt de stem van Tina Turner. We halen ANWB-stelletjes op fietsen in. De meeste zijn dik ingepakt tegen de zon. “Zullen we eerst lunchen en dan wandelen?”, stelt mijn vriendin voor. Ik knik. 

We stoppen bij een café in een dorp waarvan ik de naam niet ken. Als ik de auto op slot draai, zie ik hem op de achterbank zitten. Hij kijkt, zegt niks. Ik glimlach. Voor heel even is het stil.