Skip to main content

Snel werk ik mijn eten naar binnen. Over anderhalf uur speel ik met mensen die ik nog nooit heb gezien een potje padel. Sinds ik het een keer met collega’s heb gespeeld, ben ik om. Meteen erna kocht ik een racket en keek ik filmpjes. Zo werkt dat in mijn hoofd. Vind ik iets leuk, ga ik all in. Maar toen mijn lijf me wekenlang thuis hield, kwam het er niet meer van.

Nu ik me iets beter begin te voelen, kwam ik met het briljante idee om een vereniging in de buurt te zoeken. Het lot wil dat er eentje in Norg zit. Het nam twee maanden in beslag voordat ik durfde te reageren op een oproepje in de padel-app.

Voor ik wegga, bekijk ik mezelf nogmaals in de spiegel. Ik draag de kleren, heb zelfs een racket gekocht; ik zie eruit zoals iemand die padel speelt eruit hoort te zien. Maar van binnen hebben de zenuwen de overhand. Ik voel hoe mijn hartslag omhoog gaat naarmate de minuten verstrijken, mijn maag is licht van streek. Van kinds af aan heb ik de gave om er totaal anders uit te zien dan ik mij van binnen voel. Ik ben er zo goed in dat ik vaak zelf vergeet hoe angstig bijna alles in de wereld me maakt. 

Zodra ik bij de padelbaan aankom, zoek ik paniekerig naar de ingang. Die is niet goed zichtbaar, maar gelukkig vind ik hem toch in één keer. Nu volgt de volgende horde; naar binnen en uitvinden tegen wie ik speel. Op het terrasje van de vereniging zie ik wat mensen zitten. Ik loop recht op het eerste groepje af. Een van de mannen neemt het woord. ‘Ben jij Laura?’ Ik knik, steek mijn hand uit. Mijn maag rommelt. Niemand hoort het.

De baan komt vrij en ik beweeg me in het groepje alsof ik hier al jaren kom. Ik verbaas me soms over hoe zelfverzekerd ik me ineens kan bewegen in sociale situaties, alsof ik naar een film kijk waarin anders iemand mij speelt. 

Omdat je padel in duo’s speelt, vraag ik me af wie er met mij wordt opgezadeld. ‘Wie speelt met wie?’, vraag ik. ‘Wil jij met je man oefenen voor het toernooi?’, vraagt de langste man aan de vrouw in het groepje. Ze knikt enthousiast.
‘Dan ga ik met Laura’, zegt de man. Ze zijn allemaal wat ouder dan ik, maar het klinkt alsof ze dit al jaren doen. Even voelt het weer alsof ik tijdens de gymles op de basisschool vanwege mijn lengte tussen de jongens sta, die een beetje vies naar me kijken, omdat ik niet echt goed in sport ben, maar ook niet slecht.

‘Zullen we anders eerst wat overslaan?’, zegt de lange man die in mijn team zit. Ik kijk de man dankbaar aan. De eerste tien minuten gaan vreselijk en zie ik vooral hoe ik met mijn racket lucht schep. Het groepje geeft me wat tips over hoe ik mijn racket vast moet houden. Daarna beginnen we met een potje. 

Na een tijdje spelen gaat het steeds beter. Ondanks wel honderd verontschuldigen van mijn kant en schaamte om het feit dat ik me kapot zweet, hoor ik regelmatig een ‘goedkeurend goedzo’ en ‘mooie bal’. De man in het andere team ontziet me een beetje en slaat met minder kracht de bal op wanneer hij richting mij speelt. Hij denkt dat ik het niet merk, maar ik ben hem dankbaar. Na een uur moeten we de baan af.

‘Nou, een paar lesjes en je doet zo mee’, zegt de vrouw. We pakken onze spullen. Ik bedank ze, maar weet verder niet wat ik nog moet zeggen. Ik voel mijn hartslag weer, dus maak ik dat ik wegkom. Weer thuis vraagt mijn vriend hoe het was.

Voor het eerst realiseer ik me dat ik tijdens het spelen totaal geen angst voelde, er was alleen de bal, de baan en het spel. Het was zoals ik vroeger kon zijn als ik met mijn broer in de tuin speelde. Dat gevoel ben ik altijd tevergeefs blijven najagen. Ik geloof dat ik het eindelijk hervonden heb.