Skip to main content

Toeterend haalt mijn schoonvader de bestuurder van een auto in die volgens hem als een ‘eikel’ rijdt. Hij scheurt vloekend de bocht om en vraagt in dezelfde adem waar we afgezet willen worden. Mijn man wijst. Daar ergens is prima. Ik zit achterin, enigszins misselijk, mijn man voorin. Ik neem me voor niet meer te klagen over hoe ze in Nederland rijden. Mijn schoonvader parkeert de auto aan de zijkant van de straat. Aan de linkerkant ligt het strand, aan de rechterkant staan verschillende gebouwtjes met cafeetjes. Mijn schoonvader zwaait vrolijk wanneer hij wegrijdt. 

Vigo, de stad waar mijn man geboren en opgegroeid is, is een drukke stad. Tijdens de kerstperiode neemt die drukte extreme vormen aan; de burgemeester leeft zich uit met duizenden lichtjes die de stad verlichten. Er is geen boom of gevel in de stad die niet voorzien is van verlichting. Mensen komen overal vandaan om de lichtjes te zien. Bussen, volgepropt met mensen, rijden richting de stad. ‘Eind juli beginnen ze al met opbouwen en elk jaar wordt het gekker’, vertelt mijn man me. 

Bij de bowlingbaan ontmoeten we de beste vriend van mijn man, die we tweeënhalf jaar geleden voor het laatst zagen. Hij omhelst ons beiden stevig. Ik moet wennen aan alle hartelijkheid waarmee we hier steeds begroet worden. De Nederlandse cultuur ligt dieper in mij geëtst dan ik wil toegeven. We lopen richting een van de cafeetjes en nemen plaats aan het enige vrije tafeltje. Ik probeer een cafeïnevrije koffie te bestellen, maar alle talen in mijn hoofd buitelen door elkaar en ik zeg iets als café nada, wat ‘koffie niets’ betekent. De serveerster kijkt me met opgetrokken wenkbrauwen aan. Mijn man legt uit wat ik bedoel. Even later staan er drie dampende koppen koffie op tafel.

De mannen praten in hoog tempo Spaans met elkaar. De vriend van mijn man vraagt hoe het met ons is. Hoewel ik begrijp wat ze zeggen, kan ik me nog maar moeilijk uitdrukken in het Spaans. Steeds beter begrijp ik hoe frustrerend het moet zijn voor mensen die een taal wel begrijpen, maar hem niet kunnen spreken. Je niet kunnen uitdrukken terwijl je zoveel te zeggen hebt, is verstikkend. Alsof je opgesloten zit in je eigen hoofd. 

Nadat mijn man zijn vriend minstens een uur heeft bijgepraat over ons leven, alle gezondheidsproblemen, de zorgen om de dieren en andere struggles, vraag ik in gebroken Spaans hoe het met hém gaat. Hij zegt dat het goed met hem gaat. Zijn haar is iets dunner geworden, maar zijn ogen staan helder en hij ziet er goed uit. Toch zie ik hoe hij een slok bier morst en deze snel wegveegt. Zijn bewegingen lijken minder gecoördineerd dan twee jaar geleden.

Hij vertelt over zijn twaalfjarige zoon, die sinds een paar maanden zelfstandig eet en naar het toilet kan. Zijn zoon is autistisch en had lange tijd bij alles hulp nodig. Totdat hij op een dag vroeg: ‘Mam en Pap, als ik zelf naar het toilet ga en zelf eet, zijn jullie dan gelukkiger?’
‘We zijn al heel gelukkig met je’, hadden hij en zijn vrouw gezegd.
‘Als het je lukt is dat fijn. En als dat niet zo is, houden we net zoveel van je.’
Diezelfde avond hoorde ze de lichtschakelaar in de badkamer aangaan. Even later hoorde ze hoe hij in het toilet plaste. Huilend hadden zijn vrouw en hij op de gang gestaan.

Hij werpt een blik op zijn horloge. ‘Ik moet over een halfuurtje weg’, zegt hij. 

We rekenen af en besluiten nog een half uurtje over het strand te slenteren. Ik zie hoe de vriend van mijn man wat onhandig loopt, hoe hij met zijn heup tegen een stenen muurtje botst. Zijn MS lijkt erger te zijn geworden. We hebben het erover. Hij is juist blij dat het momenteel zo goed gaat. Eén keer per maand laat hij bloed prikken. De wetenschap is inmiddels zover dat ze een aanval kunnen voorspellen aan de hand van activiteit in het bloed. Als de waarden afwijken, wordt hij een paar dagen opgenomen, zo kunnen ze erger voorkomen.

Ik laat de mannen even met elkaar praten en ga op zoek naar schelpen. Ik vind er alleen mijn eigen schaamte. Hoe vaak heb ik niet geklaagd over dit pittige jaar? Hoe vaak ben ik teleurgesteld geweest over de dingen die ik mijzelf voornam en niet waar kon maken? En dan deze man, die elke overwinning met overtuiging viert. Ik raap een mossel op. De zon op mijn kop, het geruis van de zee, goed gezelschap. Al mijn voornemens voor 2026 vallen weg. Ik wil alleen dit moment in me opnemen.