Ik app met een vriend die ik een tijdje niet heb gesproken. Zijn vader heeft kort geleden te horen gekregen dat hij Parkinson heeft. Twee jaar ervoor verloor hij zijn moeder. Een andere vriendin begroef haar vader vorig jaar. Het verliezen van je ouders, abrupt of langzaam, verandert je leven. Je raakt je wortels kwijt.
Mijn moeder wil naar een seniorenwoning. Dat vertelde ze me deze week. Ze heeft de knoop doorgehakt. Het huis waar ze nu woont, is haar te groot geworden. Ze woont in een hoekhuis met veel ramen, een grote badkamer en ruime kamers. Hoewel ze er met veel plezier woont, heeft ze steeds vaker pijn in haar hele lichaam. De tuin onderhouden is daardoor lastig geworden en mijn broer en ik kunnen haar minder vaak helpen dan we zouden willen. Na een aantal jaren koppig overcompenseren kiest ze nu eindelijk voor haar gezondheid.
Hoewel ik achter haar keuze sta en blij ben dat ze er klaar voor is, kan ik het me nog maar moeilijk voorstellen. Mijn moeder. In een seniorenwoning. Mijn moeder is altijd ontzettend zelfredzaam geweest. Ze had haar eigen kroeg en werkte daarnaast in de psychiatrie. Op latere leeftijd ging ze nog weer studeren. En toen ze zeven jaar geleden een hernia had, betrapte ik haar een keer terwijl ze op haar knieën de kantjes van het grasveld bijknipte. “Zo gaat het prima”, had ze gezegd. Je kunt het koppig noemen, maar het getuigt ook van een enorme portie doorzettingsvermogen.
Maar in mijn hoofd zijn mijn ouders nog altijd ergens in de veertig. Daar zijn ze blijven hangen en zo zie ik ze ook voor me als ik aan ze denk of over ze droom. Toch zie ik het gebeuren. Zo had mijn vader laatst voor de tweede keer spit en vertelt hij wat vaker dan eerder hetzelfde verhaal. Maar het lukt me niet om het beeld dat ik van hen heb aan te passen aan het nu. Ik klop nog altijd bij ze aan voor advies. En toen mijn relatie zes jaar geleden op de klippen liep en ik zonder woning zat, kon ik bij mijn moeder terecht. Het idee dat ik ze ooit niet meer kan bellen of appen, is te groot om te bevatten. Voor mij zijn ze oneindig. Ze waren er toen ik geboren werd en liepen altijd naast me. Dat ze ooit niet meer naast me lopen, kan ik me gewoon niet voorstellen. Ik voel me nog altijd een zestienjarige die doet alsof ze volwassen is.
Ik vraag de vriend met wie ik app hoe zijn vader eronder is en hoe hij zich voelt. Hij vertelt dat hij het er moeilijk mee heeft. “Het zijn vooral de stemmingswisselingen. We worden echt ouder”, typt hij. “Nu pas merk ik wat dat inhoudt.”
Die middag app ik met mijn moeder. Ze heeft via de woningstichting gereageerd op een aantal woningen. “Ik sta vierde voor een woning in Norg”, typt ze. “Vlakbij jou.”
“Echt? Wat goed!”, typ ik terug, en ik merk dat ik het meen.
Voor het eerst denk ik vooruit: wat ze mogelijk in de toekomst aan zorg nodig heeft. Toen ik twintig was, heb ik een tijdje vrijwilligerswerk gedaan in een verzorgingstehuis. Ik zorgde voor het ontbijt en voorzag de mensen van thee en koffie. Soms nam ik iemand mee uit wandelen. Ik zag daar verdrietige situaties. Kinderen die hun ouders een keer per jaar bezoeken omdat hun ouders “toch niet echt meer weten wie ze zijn”. Of ouderen die soms twee uur in hun eigen ontlasting moeten liggen omdat er een tekort is aan personeel. Ik zag dat de verpleging er zelf ook onder leed. Maar als iemand achter een bureau eenmaal besluit dat een personeelslid prima tien ouderen kan verzorgen in een uur, heb je het ermee te doen. Niet alleen de ouderen waren eenzaam, maar ook de verpleging.
Na die ervaring heb ik met mezelf afgesproken: dit nooit. Als puber gruwelde ik bij het idee dat mijn ouders zo dichtbij waren; nu stelt het me juist gerust. Ik was nooit een perfecte dochter, zocht altijd de grenzen op. Maar alles eindigt.
En ik haal met liefde hun smerige lakens af, als dat me wat extra tijd met ze oplevert.






