Het is zondagmiddag. We hangen wat verveeld op de bank. Buiten is het ongewoon druk. Het raam staat open en we horen veel fietsers en wandelaars voorbijkomen. In tien minuten tijd tel ik drie brandweerwagens, een ambulance en een politiewagen. Ineens gaan onze telefoons af. Een alarmsignaal snijdt door de kamer. Een NL-Alert.
Brand in een garage aan het Westeind. Houd ramen en deuren gesloten. Blijf zoveel mogelijk binnen.
Westeind. Ik wrijf over mijn ogen. Dat is vlakbij.
Een garage? Is dat dan…
Ik sta op en tuur uit het raam. Pas dan zie ik de rookwolken aan het einde van de straat. Ze kleuren de hemel inktzwart.
Buiten staat een groepje buren rustig met elkaar te praten. Hun handen in hun zij of in hun zakken, alsof er niets aan de hand is. Wandelaars en fietsers lopen weg, maar tot mijn ongeloof gaan er net zoveel naartoe. Auto’s staan half op de stoep geparkeerd.
‘De ramen moeten dicht,’ zeg ik tegen mijn man. Ik dender de trap op, terwijl hij beneden de ramen sluit. Weer beneden kijken we een poosje uit het raam. Er komt nog een brandweerwagen aan; hij draait de Eikenlaan in. Even later spant iemand van de brandweer een rood-wit lint tussen de huizen. Hier kun je niet meer langs.
Het doet me denken aan al die keren dat ik als kind een stokje tussen de mierenkolonies op onze oprit legde. Van een keurige lijn krioelden ze ineens alle kanten op, vastbesloten een weg om het obstakel heen te vinden. Zo gaat het hier nu ook. Auto’s weten niet meer waar ze langs kunnen, fietsers houden stil, bewoners kijken hoe de rook omhoog kruipt.
Het leed van een ander. Ik heb er nooit naar kunnen kijken. Twee jaar geleden maakte de automobilist voor mij een stuurfout en raakte de vangrail op de N34 zo hard dat de auto een salto maakte en op de kop op het wegdek belandde. Tot mijn verrassing bevroor ik niet. Ik ramde op de alarmlichten en rende naar de auto om de beknelde bestuurder te helpen, terwijl iemand anders 112 belde.
Ik handelde. Ik keek niet. Tenminste, dat dacht ik. Later vond ik een foto van mijzelf terug op internet. Ik sta daar, midden op de snelweg. Bloed aan mijn handen. Bloed op mijn shirt. Verschrikt. Kijkend.
Op een landweggetje parallel aan de N34 stond een hele rij auto’s langs de kant geparkeerd. Ook zij keken. En ik deed precies hetzelfde. Gelukkig heeft de bestuurder het gered.
Ik vouw de was op. Ruim de vaatwasser uit. Na een tijdje horen we dat de brandweer aan het nablussen is en dat omwonenden ongedeerd zijn gebleven.
Pas de volgende dag loop ik kort langs. En ik kijk. Zo kan het leven lopen. Ik voel plaatsvervangend verdriet voor de familie. Tegelijkertijd is er dankbaarheid. Ik denk aan de gezichten van de vriendelijke tankmedewerkers en aan de geur van warme gehaktballen wanneer ik mijn benzine afrekende. Aan de medewerkers in hun oliebevlekte overalls.
De gezichten die ik ken, zijn er nog. Er bestaat zoiets als de brandweer. En vanuit de brokstukken kun je opnieuw beginnen met bouwen.






