We zitten op het terras van De Proef in Frederiksoord. Ik ben vandaag op Zomerzinnen, samen met twee collega-schrijvers en de artistiek directeur van Explore the North. Het is dertig graden en ik veeg mezelf onophoudelijk koelte toe met een waaier die ik voor een paar euro in een kringloop op de kop tikte. Kennelijk zijn waaiers weer hip, maar geloof me: als je in de perimenopauze zit en het zó warm is, zijn ze vooral noodzakelijk.
De directeur, M., heeft mij en mijn collega-schrijvers H. en L. net geïnterviewd over onze ontdekkingstocht binnen de literatuur. Net als ik werken H. en L. aan een project dat begint met tekst, maar uiteindelijk verschillende vormen mag aannemen. Zelf werk ik aan een deels autobiografische roman over het opgroeien tussen twee werelden. Maar als je tussen namen als Joke van Leeuwen, Judith Fanto, Annet Schaap en Merijn de Boer staat, voel je je ineens heel wankel.
Waar de andere schrijvers zich ogenschijnlijk moeiteloos door deze wereld bewegen, voel ik me een kleuter die net heeft leren lopen. Langzaam zet ik de eerste stappen richting het serieus nemen van mezelf als schrijver. Ik leer de woorden kennen die al zo lang in mij huizen.
Net wanneer ik het publiek vertel over dat aftasten, voel ik iets in mijn been prikken. Ik werp een snelle blik naar beneden. Een horzel. Uit alle macht probeer ik niet hard ‘auw’ te roepen of op mijn been te slaan.
‘Doe normaal, doe normaal’, denk ik. Zodra ik ben uitgepraat, adem ik diep in en uit en buk me zo onopvallend mogelijk richting mijn been. De horzel blijkt vasthoudend. Ik moet twee keer stevig over mijn been vegen terwijl mijn collega inmiddels aan het woord is. Ik hoop dat niemand het heeft gezien.
Op het terras begint de band aan de soundcheck. Ik neem een slok van mijn appelsap. M. vertelt dat ze binnenkort naar Noorwegen op vakantie gaat en eerder dit jaar in Estland was.
“Ik waande me midden in het boek De gebroeders Leeuwenhart,” zegt ze.
“Dat is nog altijd een van mijn lievelingsboeken,” zeg ik.
“Hoe heette die plek ook alweer waar de broers elkaar na hun dood ontmoetten?” vraagt L. hardop. “Was het niet iets met appel?”
Naast ons klinkt een stem.
“De gebroeders Leeuwenhart?”
We knikken.
“Nangijala.”
Ze citeert moeiteloos een stukje uit het boek. Zo uit haar hoofd.
Onder de indruk kijken we haar aan.
“Toen ik dat boek las, was ik een jaar of acht,” zeg ik. “Door dat verhaal dacht ik jarenlang dat er meerdere hemels waren. En dat regen de tranen waren van de hemel boven ons. Ik heb lang geloofd dat de mensen daar zoveel verdriet hadden dat ze het niet langer konden dragen.”
“Zo kan een boek dus doorwerken,” zegt M.
Even is het stil. Ik denk weer aan al die nachten in mijn kinderkamer, al die keren dat ik niet kon stoppen met lezen, want ik was in Nangijala.
We nippen van onze drankjes en kijken naar de mensen om ons heen.
“Ik ga zo richting huis,” zegt L.
“Ik ook.”
Pas wanneer ik de autosleutel in het slot steek, valt het kwartje.
Dat was Annet Schaap.
Schrijver, maar vooral iemand die, net als wij, de weg kent naar Nangijala.






