Skip to main content

We zitten op de veranda van een vriend. Een of twee keer per jaar komt onze vriendengroep een weekend samen. Met zoveel agenda’s is dat iedere keer weer een puzzel. Toch lukt het ons altijd. Misschien juist omdat we er tijd voor maken en elkaar, zonder het hardop te zeggen, nodig hebben.

De barbecue staat aan, er worden voorbereidingen getroffen voor een kampvuur. Uit de Bluetooth-speaker klinkt een kinderliedje. Iets met Kippie Kippie Tok Tok. Ik vraag me af of de man die het zingt zelf kippen heeft.

Een aantal van hen ken ik inmiddels al tien jaar. In die tijd is er veel veranderd. Als ik terugkijk, duizelen alle veranderingen me soms. Zo ben ik zelf gescheiden, verhuisd en opnieuw getrouwd. Een aantal van ons heeft een huis gekocht. Er gingen liefdes voorbij, er werden nieuwe liefdes gevonden. En een van ons kreeg kinderen. Vandaar dat er nu Kippie Tok Tok uit de Bluetooth-speaker schalt.

Het oudste kind van W. zit naast me. Hij is vier jaar en verrassend wijs.

“Laura, Laura, we hebben ook kuikens, wist je dat? Maar ze zijn al wel wat groter, maar nog niet zo groot dat ze groot zijn.”
“Nou ja, ik heb ze nog helemaal niet gezien!” zeg ik.
“Kom maar mee, ik weet waar ze zijn.”

Ik loop achter hem aan. Hij wijst zonder aarzelen de haan aan. Zelf had ik niet kunnen aanwijzen wie de haan was.

Hij vertelt ook over de kalkoenen. Als ik vraag wat zijn lievelingskip is, zegt hij: “Allemaal!”
Hoe kan er al zoveel wijsheid in een vierjarig jongetje schuilen?

Hij pakt mijn hand en rent met me terug naar de veranda. Daar schalt nu een liedje met de tekst Baila Baila uit de speakers. Een van de tweeling van twee zit bij haar moeder op schoot, de ander bij W., haar vader. Ik ga naast W. zitten. Het kindje kijkt me lachend aan. Ze is wat verlegen, maar na een tijdje roept ze: “Djansen!” Ze kijkt me aan met haar grote blauwe ogen en lange wimpers. Ze heeft wat aanmoediging nodig. Voor we het weten, gaan de armen de lucht in en danst de hele vriendengroep mee. De dames hebben het grootste plezier.

Op zulke momenten twijfel ik wel eens. Ik heb nooit kinderen gewild, dat riep ik al toen ik zes was. Maar als ik dit zo zie, vraag ik me soms af of ik iets mis.

De tweeling is inmiddels met hun broer naar onze vouwwagen gelopen. Er is hier zoveel ruimte, dat onze vouwwagen eenzaam tegen het grasland afsteekt. Ze hebben nog nooit in een tent geslapen en kijken hun ogen uit. Onze vouwwagen blijkt ineens de interessantste plek op het terrein.

Ineens horen we wat commotie. Een van de meisjes heeft voor onze tent overgegeven. De hond koos precies op het verkeerde moment de verkeerde plek. Het Danoontje dat ze net nog had gegeten, steekt nu wit af tegen het gras en de kop van de hond.

Dan bedenk ik me weer wat ik niet mis. De gebroken nachten. Sportclubjes. Puberteit. Maar misschien nog wel het meest: kinderen grootbrengen in een wereld waarin verdeeldheid, haat en sociale media voortdurend om aandacht vragen. Ze hebben nog geen telefoon, maar hoe leg je straks uit dat ze er niet zo uit hoeven te zien als al die mannen en vrouwen met het perfecte lichaam, de perfecte tanden, het perfecte huis, de perfecte auto en het perfecte leven?

Nee, ik heb ontzettend veel respect voor ouders, maar het is niet voor mij weggelegd. Ik vind de wereld zelf al lastig genoeg. En na 35 jaar weet ik dat ik daarin niet meer zal veranderen. Maar ik moet toegeven: ik heb vandaag een paar van de leukste gesprekken ooit met een vierjarige gehad.

Voor ik wegga geeft hij me een dikke knuffel. Ik hoop dat hij altijd zijn onverschrokken zelf blijft.