Toen ik een jaar of negen was, las ik in de Zeggus een oproep: ‘Penvriendin gezocht’. Er was een hele rubriek aan gewijd en uit alle oproepjes sprak dat van Marjolijn mij het meest aan. Voor wie het blad niet kent: De Zeggus was een kindertijdschrift van de Evangelische Omroep. Mijn vader had een abonnement voor me afgesloten en zodra hij op de mat viel, las ik hem gretig door.
Ik pakte mijn gelpennen met glitters en verschillende kleuren en koos een vel Disneybriefpapier uit. Het verbaast me nog altijd hoe onbevreesd ik op die leeftijd was. Zomaar een vreemde durven schrijven, zonder enig overleg met mijn ouders. Ik weet niet meer wat ik precies in de brief zette. Wel herinner ik me dat ik er een fotootje van mezelf in stopte. Met de brief in mijn binnenzak fietste ik naar de dichtstbijzijnde postbus. Mijn handen trilden toen ik de brief losliet in het vakje met het juiste postcodegebied.
Anderhalve week later viel er een brief op de mat. Mijn vader haalde zijn wenkbrauwen op.
‘Post. Voor jou?’
Ik scheurde de envelop open. We zagen allebei het krullerige handschrift, de grote zwierige ‘j’ en de hartjes op de ‘i’. De brief was ondertekend met Marjolijn. In de envelop zat ook een fotootje.
‘Heb je een penvriendin?’ vroeg mijn vader.
‘Ja, sinds vandaag. Uit de Zeggus.’
Hij knikte goedkeurend.
Na een half jaar briefwisselingen kocht ik een speciaal tasje waarin ik de brieven bewaarde. Voor het slapengaan haalde ik ze er regelmatig uit, gewoon om zeker te weten dat ze er nog waren. Zoals zoveel dingen doofde ook dit contact langzaam uit. Ik weet niet meer wie als eerste stopte met schrijven. Op zolder ligt nog altijd een tasje vol Marjolijn.
Ik vraag me af of kinderen elkaar nog weleens brieven schrijven. Het handschrift, het gekozen papier, de tijd die iemand neemt om woorden zorgvuldig op papier te zetten. Een brief dwingt je om na te denken. Misschien is dat wel wat ik er zo mooi aan vind.
Blijkbaar verdwijnen sommige verlangens nooit helemaal. Dat merkte ik op een festival waar ik optrad. Via Zomerzinnen ontmoette ik een collega-auteur. Ze vertelde over haar dochter, die soms worstelt met sociale contacten. Ik herkende mezelf meteen. Koetjes en kalfjes zijn nooit mijn sterkste kant geweest; binnen een minuut gaat een gesprek met mij gegarandeerd over onze plek in het universum of wereldproblematiek.
Na ons gesprek vroeg ik: ‘Zal ik je dochter mailen? Denk je dat ze dat leuk vindt?’
Uit het niets kwam het onbevreesde meisje weer even in me naar boven.
De tranen sprongen in haar ogen.
‘Wat lief dat je dit wilt doen. Ik denk dat ze dat heel leuk vindt.’
Ik kreeg haar e-mailadres en schreef het eerste mailtje. Ik voegde foto’s van onze honden, katten en kippen toe, hield mijn adem even in en drukte toen op ‘send’. Twee weken later verscheen er een mail in mijn inbox. Met foto’s van haar paarden, honden en de boerderij waar ze woont.
Ik ben weer terug op mijn zolderkamer, de tas ligt op mijn schoot. Mijn hart maakte hetzelfde sprongetje als toen.







