De eerste keer dat ik een eclips zag, was in 1999. De herinnering ligt als een foto in mijn geheugen opgeslagen. Ik was hem bijna vergeten, tot deze week opnieuw een eclips plaatsvond en de details ineens weer boven kwamen drijven.
Ik ben acht. We zijn op vakantie in Duitsland. Mijn ouders zijn nog samen. Mijn broertje en ik dragen een eclipsbril die mijn moeder voor ons heeft gekocht. In de vallei zweven minstens honderd luchtballonnen. Speciaal voor het festival is een podium gebouwd waar na afloop optredens plaatsvinden. Uit de speakers klinkt 99 Luftballons van Nena.
Mijn broertje en ik begrijpen niet helemaal wat er staat te gebeuren. Wanneer de hemel verkleurt en het langzaam donker wordt, denken we dat de aarde in het duister zal verdwijnen. Veel herinner ik me daarna niet meer. Het wordt vanzelf weer licht, de lucht kleurt opnieuw blauw en twee dagen later krijgt mijn moeder een ernstige keelontsteking. We gaan weer verder met ons leven en ik vergeet dit bijzondere moment.
Zevenentwintig jaar later sta ik met mijn man bij een tankstation in Norg, vanwaar we vrij uitzicht hebben over het land. Onderweg zagen we hoe families zich nestelden in campingstoeltjes, stelletjes op picknickkleden en mensen die vanaf de motorkap van hun auto naar de hemel staarden.
‘In sommige Aziatische culturen dachten ze dat een hemelse draak of demon de zon tijdens een eclips opslokte,’ zeg ik. ‘En volgens sommige astrologen staat een eclips voor verandering.’
‘Dat van die draak klinkt eigenlijk een stuk spannender,’ zegt mijn man.
We turen al een tijdje door het masker wanneer een man in fietskleding stopt om te tanken. Op zijn fietsendrager ontbreekt opvallend genoeg een fiets. ‘Is het al begonnen? Is er wat van te zien?’ vraagt hij. ‘Wilt u misschien even kijken?’ Hij knikt, zet het lasmasker op en stelt me een paar vragen waarop ik het antwoord niet weet. Over verduisteringspercentages, tijdstippen en de stand van de maan. Ik kan hem alleen iets vertellen over mythen.
Na een tijdje geeft hij het masker terug. We staan een tijdje naast elkaar, zwijgend, een moment delend met een totaal vreemde. Zonder masker is er niet veel van de verduistering te zien, maar het uitzicht is prachtig, magisch bijna.
“Nou, dank jullie wel. Ik ga maar weer n’s op huis aan.” Hij toetert en zwaait vrolijk voor hij wegrijdt. Mijn man en ik stappen ook in de auto. Wat ik in 1999 nog niet begreep, is dat zo’n astronomisch fenomeen iets heel bijzonders doet, iets wat wij als mensheid zelf vaak niet kunnen. Het brengt ons met elkaar in verbinding. We delen een moment met mensen die we anders misschien nooit zouden aanspreken. Voor even voelt het alsof het misschien toch mogelijk is: dat we vreedzaam naast elkaar kunnen leven.
Weer thuis voel ik me een beetje leeg. Het idee dat er zoveel mensen tegelijk even stilstonden en naar de hemel keken, voelde goed. Nu gaan al die levens weer los van elkaar verder. Ik schil de aardappels. Het is laat. We eten voor de televisie. Iets in mij hoopt dat de mythen toch gelijk hebben.
Dat een eclips inderdaad staat voor verandering.
Dat we als mensheid kunnen helen.
Het beter kunnen doen.
Voorlopig kies ik ervoor de mythen te geloven.






