Skip to main content

Ik adem zwaar in en uit, probeer mijn trillende handen onder controle te krijgen. Uit de speakers van de auto klinkt meditatieve muziek. Ik rijd de garage in en parkeer achteruit in een hoek naast een betonnen paal.

Toen ik achttien was en net mijn eerste autootje had, was ik zo zenuwachtig voor de eerste keer parkeren in een parkeergarage dat ik in alle haast de hele zijkant van mijn Peugeot 306 tegen een betonnen paal schampte. Ik herinner me mijn stiefvader die niets zei toen ik thuiskwam, enkel zijn hoofd schudde.

Hoe vaak ik ook in ziekenhuizen kom, ik voel me onmiddellijk een klein meisje. Erop vertrouwen dat iemand anders weet wat goed voor me is, heb ik nooit goed gekund. Als er iets is wat mijn ouders mij hebben geleerd, is het om altijd zelf kritisch na te denken. Daar ben ik dankbaar voor, al levert iets aannemen van een ander over het algemeen meer vrienden op.

Ik neem de trap naar boven, naar het UMCG. De urine klotst tegen de randen van de bokaal in mijn tas. Ik hoop dat niemand het hoort en probeer zo stabiel mogelijk te lopen.

Eerst bloedprikken, dan urine inleveren en een zelfmeting. Vervolgens het gesprek met de nefroloog. Toen ik een second opinion aanvroeg, was ik zo zeker van mezelf. Ik ken mijn lichaam als geen ander. Ik weet, nee meer nog, ik voel aan alles dat het niet goed zit. Maar nu voel ik hoe ik leegloop, het laatste restje moed verdwijnt tussen de kieren in de muren. Ik neem me voor stap voor stap te blijven zetten en me alleen te concentreren op wat er nu moet gebeuren.

Bij de poli meld ik me aan met de barcode in mijn brief. Er rolt een nummertje uit het apparaat. Ik ben, heel cliché, door mijn telefoon aan het scrollen als een vrouw mijn naam roept.

“Je nummertje stond al op het bord. Had je het niet gezien?”
“Sorry, het is me volledig ontgaan”, zeg ik.

Als we zitten vraagt ze naar mijn geboortedatum en plakt een sticker op mijn bokaal. Ook moet ik opnieuw in een bekertje plassen. Hoe andere vrouwen dit netjes doen is een mysterie, want natuurlijk gaat bij mij zoals altijd slechts de helft in het potje, de andere helft over mijn hand. Zuchtend droog ik het af en was mijn handen.

De zelfmeting kan ik bij een andere poli doen. In een hoek staat een apparaat waar je je bloeddruk, lengte, gewicht en hartslag kunt meten. Ik probeer met de QR-code uit de brief in te loggen, maar heel onsubtiel klinkt er meerdere keren: “U wordt niet herkend, ga naar de balie.” Na nog een paar pogingen druip ik af. Achter mij blijkt zich inmiddels een rij te hebben verzameld. Dan doet de dokter de metingen straks vast zelf?

Nog een uur wachten. Na een tijdje klinkt mijn telefoon: mijn man is gearriveerd. Het wordt steeds voller in de wachtruimte. Ik concentreer me uit alle macht op mijn sudoku. Opeens zwaait er een deur open en wordt mijn naam genoemd. Een grijsharige man schudt mijn hand.

O god, denk ik alleen maar, o god. “Ga zitten”, gebaart hij.

Hij vraagt me mijn verhaal te vertellen. Mijn man vult zo nu en dan aan. Ik vertel over de zenuwpijn, de medicijnen die ik slik en hoe het mijn dagelijks leven beïnvloedt. Hij luistert en stelt af en toe een verhelderende vraag. Ik leg mijn aantekeningen voor hem neer.
“Hier heb ik alle klachten, medicijnen, familiegeschiedenis en zelfzorg genoteerd.”
Zijn blik glijdt naar het stuk zelfzorg. “Jeetje, je lijkt wel een heilige”, lacht hij.

Dan legt hij uit dat hij op basis van mijn dossier en de nieuwe uitslagen inderdaad mijn vermoedens kan bevestigen. “De zenuwpijn gaat vaak samen met deze auto-immuunziekte. We weten eigenlijk niet zeker of het wel twee aparte dingen zijn.”

Hij tekent uit wat er in mijn lichaam gebeurt en vertelt welke opties er zijn. Ik begin te huilen. Ik kan niet meer stoppen tot we bij onze auto’s zijn. Ik vraag me af of de mensen om ons heen denken dat ik net iemand verloren heb.

“Maar dit is toch allemaal goed?” zegt mijn man. “Er zijn opties. En je hebt eindelijk duidelijkheid.”
“Dat is het hem juist”, zeg ik. Hij knuffelt me. Er belandt snot op zijn mouw.
“Ik zie je thuis, oké? Rustig rijden.”

Ik zie mijzelf nog wegrijden in die Peugeot, verslagen. Nu stap ik mijn Honda in, minder onzeker. Minder alleen.